kunst is een kind
dat almaar vraagt

maar waarom dan?
maar hoe dan?

tot het uitkomt
bij de grenzen
van onze kennis
zodat we zeggen
daarom
maar daarom
is geen reden
en het kind
vraagt verder

maar hoe dan?
maar waarom dan?

tot het uitkomt
bij de grenzen
van ons fatsoen
zodat we zeggen
houd je mond,
dat soort dingen
zeg je niet
en het kind
vraagt

waarom niet?

maarwaaromdan.nl is een initiatief van Ron Jagers en Harmen Zijp, te bereiken op 033 4619380 of info@maarwaaromdan.nl
afdeling nieuws
briefwisseling
partijprogramma's
verlanglijst
opinie
ingekomen 21-01-2013
afzender Harmen G. Zijp
dossierno. 100
betreft Kiemkrach(t)
index

Pamflet voor een groeistad
Koekoekseieren
De waarde van cultuur
Kiemkrach(t)


(begin een nieuw onderwerp)

Kiemkrach(t) van de stad

Afgelopen jaar werd tussen bezuinigingsoperaties en stadhuiscrises in gewerkt aan een visie op het Amersfoortse cultuurbeleid. Maarwaaromdan maakt de balans op.

Waar ging het over? In een herijking van de cultuurnota 'Samen werken aan een sterk cultureel klimaat' sprak het stadsbestuur zich uit over het te voeren cultuurbeleid tegen de achtergrond van crises en bezuinigingen. Bij de presentatie ervan op 28 maart 2012 daagde wethouder Pim van den Berg al uit tot het maken van een tegennota. Op 6 december j.l. presenteerde Fons Asselbergs het koersdocument 'De kiemkracht van Amersfoort' waarin hij advies uitbrengt over de toekomst van vier markante cultuurgebouwen in de stad. Intussen verhuisde Armando naar Utrecht, zorgde de nieuwe Brede Adviesgroep Cultureel Klimaat voor de nodige ophef omtrent meerjarige subsidies en werd de herijking nog steeds niet definitief vastgesteld.

Opvallend is dat beide stukken zich verlaten op een verwante visie op cultuur. Asselbergs besteedde hier bij zijn presentatie de meeste aandacht aan in een uitvoerig betoog waarin hij stelde dat economie, sociaal verkeer en cultuur gelijkwaardige pijlers zijn onder een welvarende samenleving, waarvan er geen ťťn gemist of zelfs maar verzwakt kan worden zonder op termijn de welvaart aan te tasten. De visieparagraaf van de gemeente is wat minder stellig maar zegt in grote lijn hetzelfde, en onderbouwt dat voor het eerst ook met enkele cijfers.

Asselbergs stelt daarnaast dat Amersfoort kiemen nodig heeft, en er als stad met 150.000 inwoners alle reden toe heeft deze te koesteren en aan te moedigen. Zoals hij signaleert: 'in een nieuwe verhouding tussen sturende burgers en een participerende overheid, in plaats van andersom'. Burgerparticipatie is voorbij. Hij signaleert ook scherp dat de vele initiatieven in het culturele veld onderling slecht verbonden zijn. En tenslotte betoogt hij dat het geen pas geeft instellingen of beleidsterreinen te vergelijken en tegen elkaar uit te spelen.

Beide stukken getuigen al met al van een voldragener visie op kunst en cultuur dan eerdere cultuurnota's deden. Dat stemt positief, omdat daarmee voor het eerst mogelijk wordt om beleidsmaatregelen te herleiden naar een achterliggende visie, en zonodig ter discussie te stellen. Zonder zo'n fundament wordt een discussie bijkans zinloos, want arbitrair, en wordt beleid een steeds wisselend samenraapsel van stokpaardjes.

Het wordt spannend te zien hoe de Amersfoortse politiek op deze ontwikkeling zal reageren. Maarwaaromdan houdt al ruim 10 jaar bij hoe het voortschrijdend inzicht over kunst en cultuur bij de verschillende raadsfracties neerdaalt in hun verkiezingsprogramma's. Te hopen valt dat daar voor de verkiezingen in 2014 eenzelfde rijpingsproces plaatsvindt.

Voor Asselbergs vormde deze visie de onderbouwing voor het advies over vier (binnenkort) leegstaande gebouwen met culturele bestemming. Er is gezocht naar oplossingen die deze gebouwen van een invulling voorzien die de gemeente geen structurele druk op de cultuurbegroting opleveren maar waarbij de culturele dimensie recht gedaan wordt. Het Rietveldpaviljoen zou met een eenmalige afboeking (het pand is al jaren afgeschreven) nog maar zo'n Ä2000 per maand hoeven kosten en Terts Brinkhoff heeft aangeboden voor twee jaar als een soort cultuurmakelaar het gebouw te beheren zoals hij in de tenten op de Parade ook al jaren het nuttige met het aangename weet te combineren. De Aegtenkapel zou uit de huidige impasse kunnen geraken door in het conflict met de boze buren te schikken in de vorm van aanvullende geluidsisolatiemaatregelen. De Elleboogkerk kan Flehite opwaarderen naar een museum dat zich kan meten met Singer of het Zeeuws museum, en de kosten daarvan, structureel Ä150.000 op jaarbasis, zouden kunnen worden gedekt door grotere bezoekersstromen en snoeien in de managementlaag. Tenslotte wordt klip en klaar uitgesproken dat het huidige Kadegebouw als cultuurplek verloren is door het 30-jarige huurcontract ŗ Ä200/m dat de gemeente zich in een onbewaakt ongenblik heeft laten aansmeren.

Allereerst enige kanttekeningen. Waar gesproken werd over het belang van de jeugd was de gemiddelde leeftijd in de zaal ruim boven de 50. De jongste aanwezige, die door Brinkhoff naar voren werd gehaald als mededraagster voor zijn plan, kwam vervolgens niet aan het woord.

Waar het betoog onderbouwd werd met een pleidooi voor kiemkracht wringt het advies op een aantal fronten. Weliswaar biedt het plan voor het Rietveldpaviljoen mogelijk ruimte voor vele kleinere en grotere initiatieven die in wisselende bezetting de ruimte kunnen gebruiken, maar de andere plannen kosten vooral geld, dat gevonden wordt bij de belanghebbende instituten. Ze gaan eerder over gebouwen dan over de vulling daarvan, die totstandkomt door de energieŽn van mensen. Let wel, ik ben niet tegen de voorgestelde oplossingen. Ik denk dat ze absoluut bijdragen aan een gezond voorzieningenniveau voor een vitaal culureel leven in de stad, en onderschrijf ook van harte de wisselwerking met de economische en sociale dimensies daarvan. Ook ben ik het met Asselbergs eens dat zeuren, vragen of wijzen weinig zin heeft.

Het is moeilijk om tegen kwaliteit te zijn. Amersfoort is absoluut gebaat bij toonaangevende instituten. Zo heeft de komst van Kade de stad veel goed gedaan. En toch wringt er iets.

Amersfoort heeft een lange en pijnlijke traditie van het miskennen en ontmoedigen van kleine initiatieven. Doorgaans wordt dit als kwaliteit benoemd in de slogan 'Amersfoort Vrijwilligersstad'. Maar wie de stad al wat langer volgt kent vermoedelijk ook de initiatieven (die in deze stad hardnekkig steeds weer blijven opborrelen) die bij gebrek aan stimulans de stad verlieten en hun applaus tenslotte elders kregen. En ook de initiatieven die het niet redden en roemloos ten onder gingen. Wanneer Ä150.000 op jaarbasis zou kunnen worden besteed aan een optelsom van al deze kleine spelers, zou de stad overspoeld worden door een culturele vloedgolf zonder weerga, en die vermoedelijk een veelvoud aan bezoekers en verdiensten zou opleveren, wat ook met zoveel woorden door Asselbergs zelf werd onderbouwd in zijn verwijzingen naar een onderzoek van Marlet. Hierover later meer.

Ook het commentaar over verbondenheid in het culturele circuit is zowel terecht als pijnlijk. Ja, meer verbondenheid is nodig, maar het heeft niet ontbroken aan pogingen daartoe. De vraag zou moeten zijn waarom dit geen duurzaam resultaat heeft opgeleverd, en het antwoord daarop kan gevonden worden in de vergelijking die werd gemaakt met het bedrijfsleven. Daar is men immers wel goed georganiseerd en aldus een stevige gesprekspartner met de overheid. Waarschijnlijk is het niet opgekomen bij de gegoede bestuurders en kunstliefhebbers in de zaal, maar het geheel ontbreken van jongere kunstenaars was hier veelzeggend. Dit brengt mij op de kern van dit betoog. Graag breng ik een aantal zaken onder de aandacht die doorgaans aan de waaneming (en de discussie) ontsnappen.

Er is een enorme kloof in perceptie tussen de overheid die zich bezighoudt met beleid en verantwoording, en individuen die ideeŽn uitvoeren. Ik verbaas me al jaren over het beperkte zicht dat de overheid steeds weer blijkt te hebben op de kunstenaarspraktijk, en op de beperkte interesse die de kunstenaars tonen in de politiek. De primaire drijfveren van kunstenaars en bestuurders liggen blijkbaar verder uiteen dan de reikwijdte (en overlap) van hun onderwerpen doet vermoeden. De in de inleiding van dit stuk gesignaleerde vooruitgang in de onderbouwing van beleid middels een duidelijke(r) visie is een stap in de goede richting. Hopelijk vormt het de opmaat tot een vruchtbare uitwisseling van ideeŽn.

Initiatieven die geen subsidie vragen zijn onzichtbaar voor de ambtenaar op wiens bureau zij normaliter belanden in de vorm van aanvragen. Het is duidelijk dat een mens in deze tijd niet ŗlles kan volgen. We zijn voortdurend bezig met het filteren van waardevolle informatie uit een grote hoeveelheid indrukken, ruis en zelfs regelrechte desinformatie. De verleiding bestaat dan ook om informatie die op een presenteerblaadje wordt aangereikt aan te nemen als het hele verhaal. Maar het beleid dat de gemeente voert raakt niet alleen diegenen die zij subsidieert, maar ook een substantiele groep die niet afhankelijk is van overheidsfinanciering. Zelfs wanneer deze valkuil wordt vermeden, is een zekere bias onvermijdelijk omdat de informatie over datgene wat zichzelf niet overzichtelijk presenteert zelf moet worden verzameld, wat onder de immer aanwezige tijdsdruk niet eenvoudig is.

Er is een enorme kloof in perceptie tussen mensen die zich geen zorgen hoeven te maken over hun materiele situatie en mensen die zich geen zorgen hoeven te maken over hun immateriele situatie. Voor die beroepskunstenaars, die met veel plezier 70 uur per week werken aan hun kunst, ook al is dat soms voor circa de helft van bijstandsniveau, is het bezoek aan netwerkbijeenkomsten sluitpost van de planning. Tijd en geld ontbreken simpelweg om dit stukje adequaat te organiseren. Dat is een eerste verklaring voor het verschil in organisatiegraad tussen bedrijfsleven en cultureel circuit. Bžnnen het culturele veld speelt dit belangenconflict nog een keer, en wel tussen de instellingen en onafhankelijke makers, met als gevolg dat de instellingen zich organiseren in het DAC, en de kleinere spelers niet alleen onzichtbaar zijn voor de efficiŽnte ambtenaar die koerst op de stapel aanvragen die getoetst moeten worden, maar ook geen capaciteit hebben om veel tijd te steken in externe communicatie en onderlinge verbondenheid. De instellingen hebben er daarentegen alle belang bij daar zij voor hun financiering afhankelijkheid zijn van hun zichtbaarheid, en dankzij diezelfde financiering de capaciteit hebben om dit goed te organiseren. Tenslotte komt dit conflict nog een keer terug in de waardebepaling voor het werk van onafhankelijke kunstenaars die te lijden heeft onder concurrentie met gesubsidieerde instellingen die onder de kostprijs kunnen aanbieden en het referentiekader zijn voor de prijsstelling bij het betalende publiek.

Vele kunstenaars werken tevreden als zelfstandig ondernemer aan hun kunst, in de terechte overtuiging dat toewijding en een zekere afstand tot de mallemolen op den duur kwaliteit oplevert. Maar wie zich afvraagt waarom deze sector zich niet zo goed verenigt kan hier een paar antwoorden vinden. En wie zich afvraagt hoe een overheid de kiemkracht in de stad kan versterken doet er goed aan zich deze situatie goed in zich op te nemen.

Tenslotte is nog een reusachtig onbenoemd onderscheid tussen 'mainstream' kunst en experimentele kunst, dat zich maar moeilijk nestelt tussen de oren van beleidsmakers. De twee worden in discussies vaak hopeloos op een hoop gegooid. In een eerder schrijven heb ik, samen met Ron Jagers, betoogd dat kunst tenminste drie rollen vervult in een samenleving, die goed van elkaar onderscheiden dienen te worden. Cultuur is daarin het geheel van verhalen, tradities, gewoontes, omgangsvormen, taal en meer die ons in staat stellen de wereld tot op zekere hoogte te duiden, ons er in thuis te voelen en er geluk te vinden.

Er is de kunst die deel uitmaakt van de dominante cultuur, haar mede vormgeeft en bevestigt, zowel in populaire als in meer elitaire uitingsvormen. Voor deze kunst is doorgaans een breed draagvlak in de maatschappij en financiering ervan wordt nog steeds als vanzelfsprekend ervaren.

Er is kunsteducatie, die onze cultuur en de daarmee gepaard gaande kunstuitingen poogt over te dragen op nieuwe generaties. Hierover wordt continue discussie gevoerd. Waar ligt de balans tussen overheidtaak en ouderverantwoordelijkheid? Of anders wel die tussen populaire en gestudeerde kunst, tussen kunst en Kunst zogezegd. Als dat onderscheid al te maken valt. De herijking verwijst de verantwoordelijkheid voor kunsteducatie overigens geheel door naar de afdeling onderwijs. Het is vervolgens een interessante excercitie hierover een uitspraak te zoeken bij de afdeling onderwijs van de gemeente...

Tenslotte is er experimentele kunst, die zich richt op vernieuwing van het culturele weefsel, en in een veilige proeftuin gedragingen, meningen en communicatievormen uitprobeert, waarvan er sommige opeens waardevol kunnen blijken en mainstream worden wanneer de cultuur zich moet aanpassen aan een verandererende wereld. Het grootste deel bereikt echter maar een klein publiek. Deze kunst bevindt zich per definitie aan de randen, wordt door sommigen als provocatief ervaren, hoewel zij zich ook niet al te ver van de hoofdstroom kan bewegen, simpelweg omdat ze anders helemaal niet meer wordt begrepen. De financiering van deze kunst is, net als die van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, problematisch wanneer zij alleen op korte termijn effect wordt beoordeeld. De verantwoordingscycli van bedrijfsleven (1 jaar) en overheden (4 jaar) zijn daarin een belangrijke beperking.

Mede hierdoor worden de baten van investeringen in cultuur, bijvoorbeeld in de vorm van hoogwaardige werkgelegenheid als gevolg van een aantrekkelijk vestigingsklimaat, nog steeds niet toegerekend aan de cultuurbegroting, waardoor cultuur politiek gezien louter een uitgavenpost is, die een makkelijke prooi is voor bezuinigingen. Regelmatig worden aanzienlijke bedragen uitgegeven aan aan programma's als Citymarketing of aan Creatieve Stadsambities, waarbij bovenbeschreven mechanismen ervoor zorgen dat kleine initiatieven niet aan bod komen, of dat kunst (en helemaal experimentele kunst) wordt uitgesloten van de de definitie van creativiteit. En dat terwijl diverse onderzoeken suggereren dat een investering in deze zaken zich juist meer dan terugverdienen.

Wat kunnen we wel doen?

Ten eerste de kloof tussen kiemen en instituten. Verander de overheid. Meer participerend in initiatieven vanuit de samenleving. De grote beweging is die van een industriŽle maatschappij naar een 'peer'-samenleving. Maar ook, meer dan ooit, met een scherp bewustzijn van het belang van kiemen, van hun experimenten, van hun autonome energie, en van hun behoeften. Wie dat niet begrijpt kan er niet op inspelen, en mist in de transitie naar een decentrale productiemaatschappij glansrijk de kansen die zich juist in onze tijd voordoen. Verplicht de bewoners van het stadhuis om eens per week een uur met iemand uit de kiemlaag te spreken die zich nog niet in dossiervorm heeft gemanifesteerd, en laat die persoon de volgende afspraak aanwijzen. Zo maak je in een jaar kennis met 52, excuus krap 40 kiemen, groeit het begrip voor hun behoeften en wordt het makkelijker om een participerende overheid te worden.

Ten tweede de (zelf)organisatie van het culturele veld. Het is niet zo dat daar geen behoefte aan is. Wel dat de betrokkenen er weinig (over)capaciteit voor hebben. Volg het voorbeeld van de wethouder cultuur in een andere stad die wekelijks op een vast tijdstip 'spreekuur' had in een cafť, wat de bescheiden aanleiding was voor een waardevolle informatieuitwisseling tussen stadsbestuur en 'werkvloer', maar ook tussen cultuurmakers onderling. Regel elke week een ambtenaar van een andere afdeling die meegaat en de bekende schuttingen.in het stadhuis worden ook een beetje geslecht.

Ten derde het grote geld versus de grote K. Hoe mooi het ook klinkt dat de gezochte oplossingen voor de nieuwe oude cultuurgebouwen kostenneutraal moeten zijn, in de praktijk loopt het wel eens anders en dan is het nu eenmaal makkelijker kleine bedragen te schrappen dan een groot afbreukrisico te lopen op een project waar al veel in is geinvesteerd. Maar vanuit het oogpunt van de drie beschreven functies voor kunst is het misschien geen gek idee om een matchingsafspraak te maken, waarbij vast percentage van de cultuuruitgaven voor kleinschalig experiment gelabeld wordt. Zo is de kans kleiner dat het omboeken van tegenvallers of investeringen in nieuwe stenen ten koste gaan van de kiemlaag. Ook kan gedacht worden aan een mechanisme waarmee bij grote evenementen, tentoonstellingen en dergelijke steeds een budget is om onafhankelijke makers een antwoord, confrontatie of wat dan ook te laten maken.

Ten vierde de waardebepaling van kunst. Dit zal deel uitmaken van een langdurig herbezinningsproces in de maatschappij waarvan de financiŽle crisis alleen nog maar een eerste klein beginnetje heeft veroorzaakt. Maar ook een terugtredende overheid kan nog steeds een nuttige rol spelen in dit proces, door de discussie te faciliteren, en ook hier, met bescheiden middelen, burgers aan te moedigen die dit proces vormgeven. De moeizame omgang met bijvoorbeeld het Amersfoorts Cultuur Fonds en Festival Franje geeft aan dat hier nog een lange weg te gaan is, maar deze voorbeelden kunnen ook worden aangegrepen als wegwijzers.

Ten vijfde het verschil tussen kunstconsumptie en kunstproductie. Een stad is het aan haar inwoners verplicht tenminste een minimum aan toonzalen en podia voor kunst te onderhouden. Dit behoort tot de basisinfrastructuur van een stad en is ook niet moeilijk te verantwoorden. Maar het vergt een keuze om ook wat te doen aan kunstproductie. Er zijn steden die een levende kunstenaarsscene kennen en dat ook terugvertaald zien in waardering van hun stad. Maar er zijn ook steden die hier hoegenaamd niets aan doen, en zich op andere vlakken proberen te onderscheiden. Wanneer Amersfoort haar kiemkracht wil koesteren, en wil voorkomen dat talent de stad verlaat dan zal het daar wat voor moeten willen doen. Gezien de morele keuzevrijheid op dit gebied is het des te belangrijker dat hierover een visie wordt ontwikkeld, die kan worden bediscussieerd in het politiek discours en waar vervolgens op teruggegrepen kan worden bij de ontwikkeling van beleid. Breid de prille visieparagraaf uit waarin cultuur, economie en sociaal verkeer aan elkaar geklonken worden met een notitie over kunstproductie.

Ten zesde nogmaals de kloof tussen kiemen en instellingen. Hoe verbinden we in Amersfoort de initiatieven aan de basis met de instituten? Er ging jaren een discussie over de identiteit van Amersfoort. Wat voor stad is Amersfoort? Wat voor stad wil Amersfoort worden? Wat komt er na 'Amersfoort Groeistad'?†Deze discussie lijkt te zijn uitgedoofd, hoewel de vraag nog steeds niet is beantwoord. Nu kan terecht worden opgemerkt dat zo'n vraag misschien veel te simplitisch was, en niet al te diepgravende discussies oproept. Maar misschien kan een slogan toch helpen om de kiemkracht in het vizier te houden, en de instituten en de kiemen een handvat geven in de omgang met elkaar. Ik stel voor dat we het oude adagium gewoon behouden, en het woordje 'groei' daarbij niet meer laten slaan op inwonertal maar op het onderhouden van een vruchtbare voedingsbodem voor talloze kiemen die erin opduiken en tot ontwikkeling komen. Amersfoort Groeistad.

Harmen G. Zijp

bronnen:
Samen werken aan een cultureel klimaat: https://www.amersfoort.nl/smartsite.shtml?id=238240
De kiemkracht van Amersfoort: https://www.amersfoort.nl/smartsite.shtml?id=240521
10 jaar cultuur in de verkiezingsprogramma's: http://maarwaaromdan.nl/index.php?id=89
De branchemonitor voor de kunstensector deel 1: http://staalkaartkunstenkrant.nl/beeldende-kunst-en-cijfers
De branchemonitor voor de kunstensector deel 2: http://staalkaartkunstenkrant.nl/beeldende-kunst-en-cijfers-2

Harmen G. Zijp, 21-01-2013 - 12:00

GELIEVE HIERONDER NIET TE SCHRIJVEN